U bevindt u zich aan het Lutkenend op een bijzondere historische plek. Hier komen verschillende onderwerpen samen uit geologie, archeologie, bebouwing, historische wegen, landbouwhistorie, de Tweede Wereldoorlog, een verwoestende brand en de atoombom op Hiroshima.
Geologie
Leven op de flank van de Hondsrug
Het landschap rond Gasselte vertelt een verhaal van ijs, smeltwater, wind en tijd. Het dorp ligt op de westflank van de Hondsrug, precies op de overgang van hoge zandgronden naar lagere beekdalen. Wie goed kijkt, ziet die geschiedenis nog terug in droogdalen, hoogteverschillen, zwerfkeien en oude routes door het landschap.


De Heerenkamp
Een van de eerste bossen op de Drentse heide
Waar nu bos groeit, lag vroeger een open heidelandschap met zandverstuivingen en schaapskuddes. Rond 1880 werd de Heerenkamp aangelegd: een vroege particuliere bosaanplant op de Drentse heide. De wallen, wegen en namen in het gebied herinneren nog aan deze periode van verandering, waarin heide langzaam plaatsmaakte voor bos.
Archeologie
De eerste nederzetting
Archeologische vondsten van Gasselter amateurarcheologen P. en H. Kroezenga leidden tot drie opgravingscampagnes tussen 1975 -1977. De opgravingen vonden plaats onder leiding van professor H.T. Waterbolk en zijn assistent O. Harsema van het Biologisch Archeologisch Instituut van de Rijks Universiteit Groningen. De opgravingen ten westen van de Schaopsteeg en de huidige Veldkampsweg, toonden een nederzetting in de vorm van een langgerekt lint met tien naast elkaar gelegen boerderijen. Elk erf besloeg een rechthoekige ruimte van ongeveer 120 meter lang en 45 meter breed die door sloten en omheiningen was afgescheiden van de omgeving. Tussen de erven lagen insteekwegen van circa 4 meter breed. Naast boerderijen werden op de erven ook schuren, spiekers, hooibergen en waterputten aangetroffen. De meeste erven bleken vier boerderijplattegronden te bevatten uit vier verschillende perioden. De vroegste boerderijen waren 17 tot 27 meter lang en 4 tot 6 meter breed. Ze dateren uit de negende eeuw, mogelijk zelfs uit het einde van de achtste eeuw.
De tweede fase van de nederzetting omvatte negen boerderijen van het Gasselte A-type. Deze huizen lijken op die van het Odoorn C/D type, maar hebben gebogen zijwanden en veel massievere en dieper gefundeerde palen. De boerderijen waren 20 tot 30 meter lang en 6 tot 8 meter breed. Hun dakbedekking bestond vermoedelijk uit riet of heideplaggen. Ook in deze fase, die tussen 850 en 950 na Christus gedateerd moet worden, lag op elk erf een aantal eenschepige schuren. Op vrijwel ieder erf werden waterputten aangetroffen. Ze bestonden meestal uit uitgeholde boomstam en hadden een wand van gestapelde plaggen.
Tijdens de derde fase van de nederzetting omvatte het dorp acht of negen boerderijen. Ze waren van het Gasselter B-type. In vergelijking met de hiervoor genoemde boerderijtypen was het Gassselter B-huis aanzienlijk groter en volumineuzer. Dit kwam vooral door de zogenaamde ‘uitkubbingen’ in de zijwand, waardoor een soort zijschepen ontstonden die het huis breder maakten. De lengte van de Gasselte B-type boerderijen besloeg een lengte van 20 tot 37 meter en een breedte van 7,5 tot 8,5 meter. In deze derde fase, die waarschijnlijk in de tweede helft van de tiende en de eerste helft van de elfde eeuw moet worden geplaatst, verdwenen de insteekwegen tussen de erven en de erfscheidingen eveneens. Wel groef men aan de westkant van de nederzetting een aantal boogvormige sloten om de erven af te sluiten van de aansluitende woeste gronden.
In de elfde eeuw brak de vierde en laatste fase van de nederzetting aan. De boerderijen en gebouwen werden toen in oostelijke richting verplaatst. In de loop van de twaalfde eeuw hield de nederzetting op te bestaan. Na het verlaten van de nederzetting werd het gebied in de Late Middeleeuwen gebruikt als akkerland.
Oude wegen
Verbinding met Bentheim, Groningen, Rolde, Grolloo
In de verschillende fasen lag de vroegste nederzetting langs de Oude Groningerweg, de belangrijkste verbindingsroute tussen Münster (D), Bentheim (D) via Coevorden naar Groningen. In de Middeleeuwen kwam de handel verder opgang. Al in de prehistorie was er sprake van een doorgaande route over de Hondsrug. Over het Hondsrugcomplex liepen twee belangrijke regionale routes van Coevorden naar Groningen. De belangrijkste liep over de Hondsrug via Dalen, Erm, Emmen, Odoorn, Borger, Drouwen, Gasselte, Gieten, Eext, Anloo, Schipborg, Zuidlaren en Haren naar Groningen. Een tweede route liep over de Rolderrug via Zweeloo, Schoonloo, Grolloo, Rolde, Gasteren en Zuidlaren. Deze tweede route werd mogelijk als alternatieve route gebruikt wanneer de voorden in het Drosten- en Hoolslootdiep tussen Coevorden en Dalen vanwege hoge waterstanden niet te passeren waren. Bij sommige veel gebruikte voorden werden later bruggen aangelegd.
De routes over de Rolderrug en Hondsrug maken in de middeleeuwen deel uit van internationale Hanzeroutes. Van Coevorden liepen ze door naar Bentheim en Münster in Duitsland. En ook door zuidelijk Drenthe, richting Zwolle en Deventer. Beide routes waren in dezelfde periode in gebruik. Sinds de 17e eeuw nam het belang van de route over de Rolderrug toe.
De duizenden jaren oude route -destijds niet meer dan een zandpad met uitwaaierende karrensporen- volgde het hooggelegen tracé over de Hondsrug. Op deze locatie liep de weg uit zuidelijke richting eerst naar het oosten, om halverwege het Lutkenend naar links af te buigen richting Gieten en verder in noordelijke richting naar de stad Groningen. Langs deze historisch waardevolle verbindingsroute bevinden zich talrijke sporen van duizenden jaren oude grafcultuur, zoals hunebedden, grafheuvels, Celtic Fields oftewel raatakkers en verdwenen nederzettingen.
Naast natuurlijke factoren, zijn sociaal-geografische factoren ook van invloed op de route. Bijvoorbeeld om nederzettingen met elkaar te verbinden. Vanwege de handel, maar ook voor het bevorderen van de kerkgang. In de prehistorie werden hunebedden en grafheuvels aangelegd langs de routes over de Hondsrug en de Rolderrug, die in de daarop volgende eeuwen dienst deden als herkenbaar richtpunt. Gedurende de middeleeuwen werden de kerktorens belangrijke richtpunten.
In heel Europa was het gebruikelijk om grafheuvels te gebruiken om galgen neer te zetten. Ze dienden als afschrikwekkend voorbeeld door de tentoonstelling van ter dood gebrachte veroordeelden. Het grondschattingsregister van 1642 vermeldt voor Gasselte Galgackers. Door J. Wieringa geduid als Galgakker liggende ten westen van de dorpskern. Deze akker ligt tussen de N34 en het Lutkenend. Er zijn echter geen voorbeelden van personen die in Gasselte aan de galg terecht zijn gesteld.
De Schaopsteeg vormde de verbindingsweg naar de belangrijke plaats Rolde, waar in de Cosmas en Damianuskerk de Ridderschap en Eigenerfden tweemaal per jaar zitting namen. De rechtsprekende bijeenkomst onder voorzitterschap van de Drost werd Etstoel genoemd.
De Schaopsteeg maakt in noordelijke richting gezien een bocht naar links. Vermoedelijk loopt de weg om het meest noordelijke erf van de Middeleeuwse lintvormige nederzetting. De doorgaande route van de Schaopsteeg richting Rolde is afgesneden tijdens de aanleg van de ongelijkvloerse kruising van de N34. Het Lutkenend gaat nu in westelijke richting over in de Heerenkampsweg, naar de Herenkampsdwarsweg, die in noordelijke richting aansluit op de Bosweg.
Via het huidige fietspad -Veldkampsweg- liep de Oude Groningerweg in zuidelijke richting naar Drouwen. Ter hoogte van de Sodemorseweg splitste de weg zich met de afslag over de uitgestrekte heiden naar Grolloo. Deze route ging verloren tijdens de aanleg van de Boswachterij Gieten-Borger.
De in de jaren 70 aangelegde N34 werd op 9 juli 2018 tot Hunebed Highway gedoopt door Staatssecretaris Mona Keijzer en gedeputeerde Henk Brink. Het idee voor de naam Hunebed Highway -de Drentse variant op de roemruchte Route 66 in Amerika- werd gelanceerd door toenmalig directeur van het Hunebedcentrum in Borger, Hein Klompmaker.
Het Lutkenend
Eigenerfden, keuters, handwerkslieden en de koetergaerden
In 1650 bestaat Gasselte (Gesholte) uit twee delen: Het Grootte Ende en het Lutticke Endt genaamd. De nederzetting droeg door de eeuwen heen verschillende namen: ‘Lutke Ende’, ‘Kleine Ende’, ‘Luttikenende’ en het huidige Lutkenend. De naam duidt op ‘kleine luiden’ vanwege keuterboeren en handwerkslieden die er een bedrijfje hadden.
In het haardstedenregister in de periode 1672-1804 wordt als beroepsbevolking in Gasselte -naast de 4-paards, 3-paards, 2-paards en 1-paards boeren- vermeld: arbeider, armen&weduwen, beul, brouwer, jeneverstoker, kleermaker, koeheerder, koopman, kuiper, molenaar, naaister, predikant, schoolmeester, schulte, smid, soldaat, timmerman, winkelier. Het Lutticke Endt is een oost-west gelegen zogenaamde kluft waar vanouds grote boerderijen waren en verder vooral kleine keuters en ambachtslieden. In het jaar 1630 bestond het Lutkenend uit zes boerenbedrijven en verder de Sint Catharina kerk met pastorie, de vicarie en vijf woningen van ambachtslieden. Van de zes grotere boerderijen lagen er vijf direct ten weerszijden van het smeltwaterdal dat het Lutkenend van oost naar west doorsneed. Het zesde erf lag grotendeel in het smeltwaterdal. De boerderijen vormden een losse zwerm en lagen alle op een rechthoekig of afgerond blokkig perceel van 1 tot 2 hectare. Deze percelen bevatten naast het erf (hoff) met de boerderij (soltstede) vermoedelijk ook een moestuin (koolgoorn), een inscharingskamp (weidekamp), een boomgaard (boomhoff) en een achter het erf gelegen akkerperceel dat woerd werd genoemd.
In 1630 woonden naast de zes à zeven boerderijen nog vijf ambachtslieden, te weten een kuiper, een schoenmaker, een timmerman, een rademaker en een smid.
Het aantal huizen nam tot 1691 toe naar 27. Met name het gebied tegenover de kerk werd sterk uitgebreid. Door erfdeling of verkoop werden de oorspronkelijke vijf grote boerderijen gesplitst in een aantal kleinere boerenbedrijven. Het Lutkenend krijgt in de zeventiende eeuw veel keuterboerderijen en arbeidershuisjes. Als gevolg van prijsdaling en toename van belastingen tussen 1630 en 1750 kwamen kleine boeren in het Lutkenend in problemen. Veel keuters gingen naast hun boerenbedrijfje een nevenberoep uitoefenen, bijvoorbeeld als ambachtsman; schoenmaker, kleermaker (snijder), timmerman, smid en wever. Het Lutkenend werd steeds meer een dorp van kleine luiden.
Richting het dorp, aan de zuidwestzijde van het Lutkenend, ligt een complex volkstuinen. Op deze goorns worden al meer dan 500 jaar tuinbouwgewassen geteeld. Al in 1478 wordt de goorns genoemd als koetergaerden. Het Middelnederlandse gaerde is in het Drents goorns.
Het Lutkenend is hedentendage een belangrijke verkeersroute. Wandelaars, fietsers, wielrenners, auto’s, motoren, paarden, loonwerkers, bezorgdiensten en bestemmingsverkeer, gebruiken het Lutkenend vice versa naar de landerijen, naar de N34 en naar de recreatieterreinen in het Staatsbos. Voor in het bos, tussen de voormalige zandafgraving ’t Gasselterveld en ‘t Hemelriekje -een pingoruïne destijds in gebruik als schaatsbaan en visvijver- werd ‘t Nije Hemelriek gegraven. Een spartelvijver voor recreatief gebruik. Recentelijk is de grote zandafgraving omgevormd tot het drukbezochte recreatiegebied ‘t Gasselterveld.
Brand 1830
Door brand een nieuw aanzicht
Op 25 juni 1830 om 5 uur ’s middags ontstaat brand in een van de noordelijk aan het ‘Kleine Ende’ gelegen boerderijen. De brand ontstaat door een gat in de schoorsteen. Binnen een half uur staan negen boerderijen in het westelijk deel van het gehucht in brand. Aangewakkerd door een felle oostenwind en bij gebrek aan blusmiddelen branden de rietgedekte boerderijen geheel af. De bewoners blijven ongedeerd, maar vier varkens en drie kalveren komen om. De verslagenheid is groot. Hoewel de boerderijen zijn verzekerd geldt dat niet voor de inboedel. Die gaat volledige verloren. Er wordt per gezin een lijst opgemaakt van verloren gegane goederen voor een totaal bedrag van 3560 gulden. Op 27 juli 1830 geeft Gedeputeerde Staten toestemming voor een collecte in de hele provincie, die 1028,48 gulden opbrengt. Het dekt in het geheel niet de geleden schade. De burgemeester krijgt opdracht voor de afwerking van de situatie. De autoriteiten komen op het idee van een reconstructie van de beide wegen met aanliggende bebouwing. De hoofdingenieur van Provinciale Waterstaat bezoekt op 18 juli 1830 de locatie van de brand. Er wordt nu een rechte weg voorzien, ter vervanging van de beide wegen, dwars over de oorspronkelijke huiskavels en aansluitend op de weg naar Rolde, de huidige Schaopsteeg. Vijf boerderijen worden uiteindelijk op nieuwe kavels gebouwd aan de rechtgetrokken weg: Achter het huisnummer 8, en verder huisnummer 10, 12, 15 en 17. De andere huizen in de huidige situatie, alsook de manege, zijn van latere datum.
De aanval van de Franse SAS op de pastorie aan het Lutkenend
Bezetting, bevrijding en de gevolgen
Begin oktober 1944 wordt in Gasselte een afdeling van het National Sozialistisches Kraftfahr Korps (NSKK) gelegerd. Zij bestaat voornamelijk uit in zuidelijk Nederland bevrijdde Nederlandse en Belgische chauffeurs die transporten uitvoeren voor de Duitse Wehrmacht. Alleen de commandant, Obersturmführer Klaus, is een Duitser. Het hoofdkwartier is gevestigd in de pastorie. Voor het onderbrengen van de staf worden bij burgers kamers gevorderd. De verhouding tussen de NSKK en de inwoners van Gasselte is gespannen. Het autoritaire optreden van de NSKK’ers maakt hen tot vijanden van de dorpsgemeenschap.
In de nacht van 7 april worden ongeveer 60 Franse SAS parachutisten van de sticks van kapitein Paul de Gramond, luitenant Jean Appriou, luitenant Michel Legrand en 2e luitenant Henri Stéphan bij Gasselte gedropt. De meesten landen niet ver van hun geplande landingsplaats in de Staatsbossen westelijk van Gasselte.
Vroeg in de morgen kloppen enkele parachutisten aan bij de woning aan de bosrand tegenover ’t Hemelriek. De bewoner, R. Pronk, is een verzetsman. Hij helpt de Franse para’s en wanneer het licht is vindt hij achter in het bos nog een groep parachutisten. Intussen is ook de verzetsbeweging op de hoogte van de landingen. Uit inlichtingen van de Fransen blijkt dat er nog verschillende para’s ontbreken. De hele zondag zijn de verzetsmensen bezig hen te zoeken. Anderen verzamelen de containers met munitie, wapens en voedsel.
Inmiddels zijn ook de Duitsers en de NSKK’ers gealarmeerd over de luchtlandingen. In de veronderstelling dat er duizenden parachutisten geland zijn wagen ze zich niet in de bossen. Enkele Gasselters die contact met de Fransen hebben gehad, worden op weg naar huis door Duitse wachtposten aangehouden. Ze worden meegenomen naar de pastorie voor ondervraging, maar daarna naar huis gestuurd.
Pas zondagavond zendt radio Oranje vanuit Engeland een codebericht uit: ”De boot is omgeslagen”. Dat betekent dat de verzetsbeweging in actie moet komen om inlichtingen te verzamelen voor de gelande parachutisten. De parachutisten in het Staatsbos bij Gasselte zijn verdeeld over twee commandoposten. De eerste bevindt zich in vak 46, ongeveer 1,6 km van het huis van Pronk, de andere in vak 36 achter in het bos. Voor de onderlinge verbinding beschikt men over radio-zend/ontvangers, zogenaamde Jedburgh sets.
Bij de inlichtingen die de Gasselter verzetsmensen aan de Fransen verstrekken wordt ook de aanwezigheid van de NSKK in Gasselte doorgegeven. De parachutisten besluiten een aanval uit te voeren op de pastorie om de staf uit te schakelen.
Het aanvalsplan is als volgt:
*Bij de ingang van het dorp -op deze locatie aan het Lutkenend- houdt vaandrig Albert Bacuez met een Brengun het Lutkenend onder schot.
*De stick van luitenant Jean Appriou trekt langs de noordelijke kant achter de behuizing langs op naar de pastorie om de vijand uit te schakelen en daarna naar het oosten af te buigen.
*De stick van luitenant Michel Legrand trekt langs de zuidelijke kant van de bebouwing op, valt de vijand aan en zuivert zo nodig de huizen.
*De stick van kapitein Paul de Gramond maakt een omtrekkende beweging naar het noorden en oosten, om zodoende de terugweg van de vijand af te snijden en de aanvoer van versterkingen te verhinderen.
*Sergeant Louis Le Goff maakt met enkele mannen een omtrekkende beweging door het zuiden om de Dorpsstraat af te sluiten.
De aanval wordt aan het begin van de middag uitgevoerd, omdat naar verwachting de bewaking rond etenstijd niet zo scherp zal zijn. Als herkenning dragen de parachutisten na het beëindigen van de actie gele halsdoeken. De mannen die de aanval uitvoeren gaan eerst naar de woning van Pronk, vanwaar men naar Gasselte oprukt, vergezeld door gidsen van het verzet uit Gasselte en Kostvlies. Gasselte wordt zonder moeilijkheden via de Schaopsteeg bereikt. In looppas voeren de mannen het aanvalsplan uit. Appriou trekt met zijn mannen naar de pastorie en opent het vuur. Hoewel de NSKK’ers totaal verrast zijn, herstellen ze zich snel. Vanuit de ramen worden de para’s heftig beschoten. Vooral vanuit het achterhuis komt hevig mitrailleurvuur door de Nederlander Arie van der Hoek. De Fransen zijn in een nadelige positie omdat ze te dicht bij de ramen liggen, waardoor verplaatsen bijna niet mogelijk is. Daarbij komt nog dat men achter de bomen rond de pastorie in dekking ligt, waardoor doeltreffend vuur uitbrengen moeilijk is.
Korporaal Bègue wordt dodelijk getroffen en ook sergeant Briand raakt gewond. Intussen is luitenant Legrand aan de voorzijde van het gebouw tot de aanval over gegaan, zodat de vijand nu van twee kanten wordt aangevallen. Om een einde aan het gevecht te maken willen de Fransen een stormaanval op het gebouw ondernemen en daarbij handgranaten door de ramen naar binnen gooien. Zover komt het echter niet. De mitrailleurschutter Arie van der Hoek wordt geraakt, waarna de andere NSKK’ers voor de fel vechtende parachutisten op de vlucht slaan. De meesten worden echter door de mannen van Legrand gevangen genomen. Van de gevechtspauze die nu is ontstaan maken NSKK’ers, die niet in de pastorie waren, gebruik om te vluchten. De meesten worden door de Fransen opgespoord, waarbij er in het dorp twee worden doodgeschoten.
Omdat het niet uitgesloten is dat de Duitsers versterkingen laten aanrukken, besluiten de parachutisten zich met hun gevangenen via het Lutkenend in de bossen terug te trekken. Daarbij nemen ze een stafauto mee die bij de pastorie staat, waarmee het lichaam van Bègue wordt vervoerd. Een vrachtwagen met levensmiddelen laten ze achter voor de burgerij.
In het bos worden de gevangenen met parachutekoord vastgebonden. De twee officieren, de Duitser Klaus en de Nederlander Van de Bent worden, nadat ze hun erewoord hebben gegeven niet te zullen ontsnappen, niet vastgebonden.
Wanneer de Fransen met hun gevangenen zijn verdwenen is het wonderlijk stil in het dorp. Gasselte is niemandsland. Een aantal nieuwsgierige inwoners neemt een kijkje in de pastorie en neemt spullen mee. Twee NSKK’ers hebben zich echter in de kelder verborgen gehouden en zien wie bij de plundering zijn betrokken. Gevluchte NSKK’ers hebben bij de Duitsers in Borger en Gieten hulp gehaald. Vanuit Borger komt een afdeling van de Luftwaffe naar Gasselte onder bevel van Hauptmann Willke.
Alle mannen en vrouwen die zich op straat bevinden worden op zijn bevel bijeen gedreven op het schoolplein. Als dat vol is worden de mannen naar de kerk gebracht, de vrouwen blijven achter. Om half vijf ’s middags worden de vrouwen vrijgelaten. Hauptmann Wilke geeft het bevel dat alle mannen van het dorp zich nu bij de kerk moeten melden. Meer dan 300 mannen worden in de kerk opgesloten. De Duitsers, intussen aangevuld met een groep Duitsers die uit Gasselternijveen komt en het dorp weer bezet, dreigen de kerk op te blazen als de plunderaars zich niet melden. De NSB burgemeester J.E. Tuin is inmiddels opgehaald uit Gasselternijveen en die smeekt op zijn knieën om de onschuldigen vrij te laten.
De Duitse Hauptmann geeft toe en laat alle mannen vrij met uitzondering van dertien die zich vrijwillig melden omdat ze aan de plundering hebben meegedaan. Hierbij zijn ook enkelen die door de beide NSKK’ers uit het dorp aangewezen zijn. De mannen worden op open wagens naar Borger gebracht met nog drie opgepakte woonwagenbewoners. De volgende dag naar Gieten, waar ze in een koelwagon van de Exportslachterij Udema in Gieten worden opgesloten. Het lukt ventilatieopeningen te forceren waarmee wordt voorkomen dat ze stikken.
Op 11 april vertrekt de trein naar Assen, waar de mannen in de gevangenis worden opgesloten. Een Franse poging de trein bij de Eexterhalte te overvallen en hen te bevrijden mislukt helaas omdat ze te laat zijn. De trein is al voorbij. Op vrijdag 13 april worden de mannen in Assen door de Canadezen bevrijd.
Op donderdag 12 april naderen geallieerde troepen Borger, waar de hele dag gevechten plaatsvinden. Die avond trekken de overgebleven NSKK’ers weg en de volgende morgen wordt Gasselte bevrijd door het 8th Canadian Reconnaissance Regiment, gevolgd door de Polen van het 2e Eskadron van het 10 Pulk Dragonow (10e Regiment Dragonders).
Demonstratie opslag kernafval in zoutkoepels
Gasselte centrum van demonstraties
In de jaren zeventig groeit de anti-kernenergiebeweging (AKB) sterk. De beweging bestaat uit een groot aantal lokale groepen in heel Nederland. In Drenthe sluiten enkele tientallen van deze AKB-groepen zich aan bij de Milieuraad, de huidige Natuur en Milieufederatie Drenthe, waarmee ook de provinciale samenwerking wordt georganiseerd. Op een internationale bijeenkomst eind 1978 in het Zwitserse Basel wordt besloten tot internationale actiedagen tegen kernenergie. Op een vijftiental plaatsen in Europa wordt tijdens het Pinksterweekend van 1979 gedemonstreerd voor het opschorten van alle atoomenergieprojecten en een stop voor de export van kerncentrales en radioactief afval.
Het is een zonnige dag op 2 juni 1979 als ruim 25.000 mensen naar Gasselte afreizen om te demonstreren. Aanleiding is het voornemen van minister van Economische Zaken Lubbers, om radioactief afval op te slaan in ondergrondse zoutkoepels. Die bevinden zich in de ondergrond bij Gasselte, Anloo, Hooghalen en Schoonloo. De grote opkomst maakt dat 2 juni 1979 de boeken ingaat als een van de grootste demonstraties van Drenthe. De Gasselter Geert Kroezenga, is een van de grote trekkers van deze demonstratie.
Het groeiend bewustzijn en het verzet tegen kernenergie leidt in de jaren 70 en 80 tot een omslag in het denken over de risico’s van kernenergie. Aangekondigde proefboringen in de zoutkoepels worden fel bekritiseerd. Er worden harde acties aangekondigd tegen de voorgenomen proefboringen. Plannen voor een grote uitbreiding van kerncentrales gaan van tafel.
In de jaren 1982, 1984 en 1988 zijn er opnieuw protesten en demonstraties tegen de opslag van radioactief afval in zoutkoepels. Voor dit afval is vandaag de dag nog steeds geen oplossing gevonden. Het wordt nu ‘tijdelijk’ bovengronds opgeslagen in zwaarbeveiligde bunkers in Zeeland. De discussie is anno 2026 nog steeds gaande.
De Vredesboom
Symbool van hoop en vertrouwen
Op 6 augustus 1945 ontploft een Amerikaanse atoombom -Little Boy genaamd- boven het centrum van de Japanse stad Hiroshima. De bom doodt onmiddellijk 78.000 mensen. Het dodentalloopt in de maanden en jaren daarna verder op door stralingsziekte en verwondingen. Recente onderzoekscijfers geven een totaal van 300.000 doden.
De explosie maakt in drie seconden een hitte vrij die bijna veertig keer zo heet is als die van de zon. Na de eerste explosie raast een vuurstorm door de stad, die nog meer verwoesting aanricht. Het centrum van Hiroshima is een radioactieve woestijn, bedekt met as, schijnbaar gebroken en levenloos. Men gelooft dat er 75 jaar lang niets zal groeien – er wordt zelfs gesproken over het herbouwen van de stad op een andere locatie. Er is weinig hoop op herstel. Maar zelfs in het aangezicht van deze overweldigende kracht vindt de natuurlijke wereld een manier om te overleven. Slechts enkele maanden na de bom ontdekt men nieuwe zaailingen in dit desolate landschap. De zaailingen zijn een krachtige boodschap van nieuw leven en hoop. Ze moedigen de overlevenden aan om de stad weer op te bouwen.
Binnen een straal van ongeveer 2 km rond het epicentrum, zijn op 55 locaties ongeveer 170 bomen officieel door de gemeente geregistreerd als door de atoombom getroffen bomen. Net als de overlevenden van de atoombom, getuigen ook deze bomen van de ondraaglijke verwoesting die door het kernwapen is aangericht. Ze worden al jaren liefdevol verzorgd door de autoriteiten, botanici, diverse burgergroepen en individuen, en zijn herkenbaar aan een naamplaatje en de unieke referentie: hibaku jumoku (overlevingsboom).
De door de atoombom getroffen bomen blijven gedijen, bloeien, vrucht dragen en getuigen. Jarenlang zijn er talrijke waardevolle initiatieven ondernomen om hun zaden en jonge boompjes wereldwijd te verspreiden.
In juli 2011 lanceren Nassrine Azimi en Tomoko Watanabe de pilotfase van ‘Green Legacy Hiroshima’ (GLH). Ze krijgen steun van het United Nations Institute for Training and Research (UNITAR), Asian Network of Trust-Hiroshima, de Hiroshima Peace Culture Foundation en andere toegewijde partners en individuen. Ze hebben de ambitie om samen te werken met iedereen die zich inzet voor een groenere planeet. Voor toekomstige generaties die vrij zijn van nucleaire dreigingen. En voor het eren van oorlogsslachtoffers, of simpelweg voor het aanleggen van vredestuinen in hun gemeenschappen. De oprichters van GLH hopen dat veel partners wereldwijd zich bij dit initiatief aansluiten en actieve ambassadeurs zullen worden van Hiroshima.
Biologe dr. Rinny Kooi is deNederlandse ambassadeur van het Green Legacy Hiroshima project. Bij de Hortus Botanicus Leiden kweekt ze uit zaad van een van de overlevende bomen uit Hiroshima een telg op van een Netelboom (Celtis sinensis var. Japonica). Op initiatief en bemiddeling door inwoner van Gasselte Egbert Meijers, komt deze telg beschikbaar voor Gasselte. De locatie is van bijzondere betekenis en herinnert aan de actie op 8 april 1945 door de Franse SAS parachutisten op de pastorie verderop aan het Lutkenend. De Netelboom is een belangrijk symbool van vrede en verbindt het dorp Gasselte met de groene erfenis van de stad Hiroshima.